Dag 1.
We rijden richting het hart van het Tibetaans plateau. Vijf jaar geleden ben ik ook door dit landschap getrokken. Maar het was ongepland, ik was verrast en overrompeld. De beelden staan in mijn geheugen gegrift maar de ets is nog niet af, de groeven nog niet diep genoeg. Ik wil het beter leren kennen. Hier zijn tot ik weer weg wil.
De natuur waar we doorheen rijden opweg naar Machen, het dorp dat als hoofdstad van de provincie geldt, is nog mooier dan ik mij herinner. Bergpassen, zandduinen, rauwe rode rotsen, wilde rivieren, een waterval, dennebomen en uiteindelijk velden vol bloemen en glooiend gras. In de bus zitten verweerde Tibetanen die net zoveel roken als praten, monikken die naar ranzige yakboter ruiken en blazen stofwolken net zo tierig als buiten. Het chassie van de bus slaat stuk op elke steen op de weg. Wie mooi wil zijn moet pijnlijden. Aan het begin van de avond komen we aan en ontmoeten onze gids. Lombu, een Tibetaanse nozem van 28 jaar. Ook hij lijkt niet op te kunnen houden met praten. Op 3500m val ik als een blok in slaap.
Dag 2.
Eens in de vijf jaar komen de vijf distrikten van de provincie Golak bij elkaar om de zomer te vieren. Kans 1 op 5×365 maar we zijn er bij! Dorpelingen, nomaden, pelgrims en monikken. Duizenden Tibetanen zijn toegestroomd, allemaal in hun mooiste klederdracht. Paarden races, muziek, dans, zang, kleur, kleur, kleur. We kijken onze ogen uit.
Ik zeg ‘we’ want ik reis samen met een frans stel. Ze zijn op huwelijksreis. Hij ziet er uit als Kuifje opgerekt tot 1.95m, zij heeft het gezicht van de mooiste Franse naam die ik ken, Juliette. De rest van haar lichaam heeft gewoon haar eigen naam. Zij kwijnt voor hem, hij doet stoer voor haar. Zij is de baas, hij doet alsof. Zij lijdt, hij verzorgt. Zij wordt graag verzorgt.
Zelfingenomen vertelt hij dat ze zo’n fijne wandeling hebben gemaakt.
“En we hebben heerlijk samen zitten bidden.”
“Tot welke god?!” Spontante relativering op naif dogmatisme. De stilte die hij moet laten vallen is hem ongewoon.
“Tot de Christelijke god”. Maar ik hoor hem nadenken.
Hij, geboren en getogen in Parijs, is annalist. Zo ook buiten zijn werk. Wat hem ook wordt aangeboden zijn reactie is altijd een nadenkend “Uuhm, actually yes, I think I’ll have one.”, wat de aandacht ombuigt van de gemaakte geste naar zijn ego, deze zonnekoning, deze keizer zonder kleren. Fouten bestaan er niet voor hem, alleen goede verklaringen waarom een volgende observarie niet overeenstemd met wat eerder door hem was vastgesteld. Kijk. Je hebt een mening en een oordeel. Over politieke situatie in Tibet, de route van de track, de kwaliteit van een tent of het weer. En een mening kan je hebben, kan iedereen wel hebben zelfs. Maar een oordeel, daar heb je er maar een van. En die heeft hij. Altijd. Na het geloof in god nu de illusie van controlle. Zou het hetzelfde gen betreffen? Hij woont in zijn hoofd, zij in de perceptie van anderen. Als ik net zo bang was als zij zou ik ook ’samen gaan zitten bidden’.
Dat gezegd hebbende, ze hebben me geholpen op momenten dat ik er doorheen zat en we hebben samen veel gelachen, ontzag en verbazing gedeeld. Nee, ik had het een stuk slechter kunnen treffen. Zij vinden iets soortgelijks en laten mij dat bij monde van Kuifje in hoedanigheid van verlicht despoot ook weten. “Makiel we hadden het er vandaag nog over. Je bent (oordeel!, red) goed gezeldschap om mee te reizen.” Nou gelukkig dan maar.
’s Middags rijden we het laatste stuk met de jeep naar het eerste kamp op 4000m. Daar ontmoeten we de kok, de ‘yak-man’, onze yaks en paarden. We zijn compleet en voor de komende week volledig zelfvoorzienend. Spannend. ’s Avonds stevige pijn aan mijn kop.
Dag 3.
Amnye Machen. De naam van de Tibetaanse god van creatie en destructie en de naam van deze berg. Deze berg is een god. Er omheen lopen, een kora, is verdomde goed voor je karma. Het landschap verliest snel elk tegen van moderniteit. Geen huisjes, electriciteitskabes of hekken. Niets meer. Pure natuur. Opwinding als ik het me besef.
We komen bij een eerste riviertje. Schoenen uit en op blote voeten door het ijswater. Lombu springt als een berggeit van kei naar kei. Droog over. Bij een heftiger overgang stript hij tot zijn ondergoed en trekt het paard door de stroming waar wij een voor een op worden vervoerd. Droog over. De bijna wilde prairiehond die de paarden en de yaks vergezelt heeft zijn dolle vijf minuten en kruist de rivier talloze malen om te controleren of alles goed gaat. Pas ’s avonds als zijn taak er op zit wordt hij aanhankelijk.
Het is bewolkt en heb me niet ingesmeerd (plakt, vies!) en heb spaarzaam gedronken want ik plas al zoveel. Aan het einde van de middag loop ik langzaam vast. Mijn gezicht brand, mijn hoofd klopt en mijn krachten vloeien uit me weg. Oen!! Zal ik dan nooit leren wat hoogte betekend?
Als ik aankom staat mijn tentje al. God zij dank! Ik val een half uur lang elke vijf minuten zo hard in slaap dat ik er steeds weer wakker van word. Dit heeft geen zin. Ik sta op en neem een eerder voorgenomen bad in de rivierrrrrrrrr, koudddddd!!! Warm ingepakt lig ik in het gras en kijk naar de bergen. Ik kijk weg, ik glij weg, tranen met tuiten. Ik ben kapot, voel alleen een gapende leegte in mij. ‘Hoe moet dit nou toch allemaal?’, jammert mijn lichaam. Terwijl mijn hersennen denken ‘Wat gebeurt hier toch allemaal?!’ Nou ja, laat maar gaan. Ik gun mezelf een uurtje iPod. Het is zo stil in mij geworden dat ik muziek nog nooit zo intens gehoord heb. Radio Head, Amnesiac. Genadeloos. Die nacht word ik om de twee uur wakker en voel me als door een vrachtwagen aangereden. Maar ik slaap 12 uur(!).
Dag 4.
Een vet ei en een peanut butter sandwich van muf witbrood voor ontbijt. Lopen dan maar. De eerste paar uur op karakter. Daarna stroomt er langzaam weer wat leven in me. Onderweg worden we uitgenodigd voor een kopje thee bij een nomade familie. Leren gezichten kijken ons aan. Wij kijken gefascineerd naar de vrouw des huizes en hoe zijn haar tent beheerd. Ze stookt de kachel op met gedroogde yakpoep. Ze kijkt ons vriendelijk grijnzend aan. Voor jullie. Dank u wel, fijnzen we terug.
We lopen over heuvels, op ruwe graspollen en door de taaie struiken. Concentratie en coordinatie. Even til ik mijn hoofd op en kijk opeens recht in het gezicht van een witte berg top. Wel heel(!) erg dicht bij. Ik ben helemaal uit het lood geslagen. Het is tot nu toe alleen maar afzien geweest en ik ben afgepeld als een uit. Mijn beleving is direct. De berg, is er. Hij is … prachtig!
We sjouwen door met alleen het geluid van de wind en het fluiten voor de yaks. Op een heuvel midden in de pas wapperen talloze slierten van Tibetaans gebedsvlaggen. Groen, rood, blauw, wit en geel. 4600m., het hoogste punt van onze track. Dit is HET uitzicht op Amnye Machen. 180 Graden witte toppen, onvoorstelbaar. De Tibetanen juichen, gooien gekleurde gebedspapiertjes in de lucht, het is feest. Ze lopen 4 keer om het vlaggenaltaar, bidden en buigen op de kop en nodigen mij uit hetzelfde te doen. Mijn onbegrip jegens religieuze rituele is deze reis alleen maar toegenomen maar ik deel hun vreugde en wil mijn overwinning vieren.
Na 2 keer sta ik stil bij de kop. Oke. Ik laat mezelf naar binnen zakken, zoek een gevoel van dankbaarheid en laat het langzaam groter worden. Dankbaarheid, gewoon, voor alles. Als een Tibetaanse pelgrim laat ik me vooroverglijden, lang gestrekt met mijn gezicht tegen de grond, armen naar voren. Even geen ego, .. alleen maar dankbaarheid.
Die nacht heb ik een annonieme ontmoeting met een yak, een hond, een …? Ik wordt wakker want moet plassen. Als ik mijn zaklamp aan doe komt er iets nieuwsgierig dichterbij. Heel dicht bij. Nauwelijk hoorbaar maar het raakt een van de scheerlijnen. Ik voel het geluid, houd mijn adem in. Wat het ook is, het staat aan de andere kant van het tentdoek, net zo geconcentreerd te luisteren als ik. Ik geloof niet dat ik bang hoef te zijn. Op mijn knieen en met mijn kin op de borst plas ik in de voortent. Let wel mijn tentje staat op de enige 3 m2 waar geen verse yak poep ligt, zo gaat dat hier. Ik rits mezelf weer in, licht uit en luister nog een keer goed. “Nou, slaap lekker dan maar he.”
Dag 5.
Tijdens het lopen dwarellen er herinneringen als herfstbladeren mijn gedachten binnen. Herinneringen aan orientatiepunten uit mijn leven. Kantoren waar ik gewerkt heb, slaapkamers, oude huizen, scholen, steeds verder terug. Hoe het daar was, wie daar waren, weer weten dat ik daar ben geweest. Het is als of het verleden naast mij komt staan. Kennerlijk hooort het bij mij. Hier is er ruimte voor.
We begonnen de dag in de mist maar dalen langzaam af naar 4000m. De hemel breekt open, er zit weer meer zuurstof in de lucht en ik zuig vol met energie. Het wordt hier alleen nog maar mooier. De zon laag over het helder groene gras vol kleine bloemetjes, omzoomt door witte toppen onder een strak blauwe hemel. Beneden bruist de rivier. We lopen vandaag zeker 25 km. En al heb ik weer brandstof in mijn bloed, mijn voeten, mijn kuiten, mijn bovenbenen, mijn bilspieren, mijn onderug en mijn schouders zijn verhard, verzuurd of beiden. We lopen zo lang omdat we bij een riviertje met schoon water moeten kamperen. Een van de yaks, the Crazy Yak, heeft tot 4 keer toe zijn bepakking afgegooid en ons daarmee van ons drinkwater en onze eieren beroofd. We eten vette rijst met kool en uien. Dat klinkt niet veel maar smaakt opper best. Als toetje breng ik een chocolade reep in. Ieder twee stukjes. We vallen stil, wat een genot!
Dag 6.
Ik sta knorrig op en dat blijft eigenlijk de hele dag zo. De hemel is strak en de zon staat al wit aan de hemel, schroeit en de lucht is kurk droog. Ik smeer me helemaal in, bind een t-shirt om een deel van mijn gezicht, mijn hoofd en in mijn nek. Zonnebril op en gaan. We lopen vandaag naar een klooster dat we nooit zullen bereiken. Het eerste uur moet ik me bijna letterlijk door mijn stijfheid heen breken. We lopen door een vallei vol agressieve vliegen. Ze vliegen overal, vliegen voor mijn gezicht, gaan op mijn neus zitten, op mijn bril en kruipen naar binnen. Wegslaan heeft bijna geen zin. Ze cirkelen acuut weer terug en ik moet uitkijken dat ik geen woede aanval krijg. De zon staat bijna loodrecht aan de hemel en dus geeft niets schaduw en bomen groeien hier niet. Ik kijk de truck af van Kuifje. Hij licht onder een doek uitgestrekt in het gras.. en slaapt. In de brandende zon, op prikken gras lich ik onder mijn zware wolle vest. Ik slaak een zucht van verlichting. Er zijn momenten dat ik mijn op eigen over-sized lounch bank nog niet zo rust voel. Gedachtes over dat alles relatief is sussen mij in slaap.
Dag 7.
Niets meer ‘relatief’ dan het weer in de bergen. Het regent koud en de wint waait guur. We moeten een kolkende rivier oversteken. Een van de paarden wordt bijna door de stroming meegesleurt. Dit is serieus. De kok en de ‘yak man’ springen bij. Ze voelen onze angst en beginen te zingen, zitten opeens als ware ridders op hun paard. De energie in de groep, inclusief dat van de paarden, verandert. Voor we het weten staat iedereen droog aan de overkant. Aan het einde van de ochtend verlaten we 4000m en steigen we weer. Ik ga stuk.
Geen kracht in mijn spieren want te weinig lucht, een mes dat in mijn onderrug snijdt en mijn hart bonkt wild in mijn borst kast. Gek genoeg ben ik in mijn hoofd uiterst helder. Ik heb een rotsvaste concentratie. Uit nood geboren geloof ik, want in het ravijn huilen en jammeren mijn emoties en de diepte trekt. Ik denk niet na, zou niet kunnen, maar kennis lijkt tot me te komen als ik mijn aandacht richt. Zo weet ik dat dit weer voorbij zal gaan. Dat klinkt logisch maar normaal gesproken had ik daar nu geen kracht uit kunnen putten. Maar op dit moment lijk ik geen twijvel te kennen. ‘This too shall pass.’. Ik realiseer het me sindsdien meerdere malen per dag. Het geeft inzicht en rust.
Ik kijk de helling omhoog. Als ik maar langzaam genoeg loop moet ik vanzelf boven kunnen komen. Ik merk echter dat me niet lukt om langzaam te blijven(!) lopen. Als ik langzaam loop krijg ik weer wat adem. En voor ik het weet zijn mijn stappen vergroot. En dus(!) sta ik na tien stappen weer met een bonkend hart stil. Auw! Vier uur lang dwing ik mijzelf met elke stap langzaam te lopen. Op de rem trappen om boven te komen, het heeft iets intrigerends. Ik grijp de gelegenheid aan om mijn ‘wil’ te onderzoeken. Ik merk dat mijn ‘wil’ mij blind omhoog probeert te duwen. Niet alleen een beetje adem blijkt een aanleiding om aan te zetten. Ook de eerste weerstand van een steigende helling roept meteen op tot actie. Zo iets van ‘we moeten dus we gaan’. Langzaam herken ik deze impuls, dit aangrijpingspunt van veel andere momenten uit mijn dagelijks leven. Moeten om het moeten, moeten omdat ik het nou een maal wil, moeten omdat ik voel dat het moet. Op deze berg voel ik dat ‘willen’ als mentale activiteit wel kracht levert maar niet de bron is van mijn kracht. Constant mijn ‘wil’ aanspreken om mijn doel te bereiken blijkt een gegarandeerde manier om over de kop te gaan. Mijn kracht blijkt in de rest mijn lichaam te zitten. Daar zit ook een wil en die geeft precies aan wat ik kan willen en wat niet. De feedback is hier heel direct en onvoorbiddelijk. Dus grenzen kennen en houden. Er lijkt minder ambitie uit te spreken dan ‘ik wil dus ik kan’ maar vandaag blijkt het een zwaar effectievere manier, de enige manier zelfs, om mijn doel te bereiken. Mijn lichaam zal dit vast onthouden.
Ik kom boven. Mijn concentratie blijft, mijn adem komt terug. Fucking hell yes.
Aan het einde van de dag slaan we kamp op aan de voet van een gletsjer. Lombu heeft gister biertjes gehaald. ‘s Avonds zitten we met z’n elfen, er reist een groep Chinezen in ons spoor mee, in de keukentent. Hutje mutje, bonte avond. Iedereen zingt een lied uit zijn eigen land. Lombu zingt een lied over dat hij verdrietig is omdat hij de zon, de Dalai Lama niet kan zien. Ik zing het enige Nederlandse lied waar ik alle woorden van ken en probeer het de andere te leren.
“Leven de man!”
“laibe die mah….?
“LEVEN DE MAN!”
“Laiben die man..”
“Die het bier uitvond!”
“Die a bie fon fon…”
“Bie-r!” En ik wijs naar mijn blikje. “Bierrrrrrrr!! Don’t laugh. This is very important you know. LEVEN DE MAN!”
“Laiben die man!”
“DIE HET BIER UITVOND!”
“Die a biel fon fon!”
“VAN JE HIEPERDEPIER HOEZEEEEEEEEE!!!”
Dag 8.
Een halve dag lopen in de hete zon, afscheid van de bergen. Geleerd, ervaren en genoten. We worden opgepikt door een jeep en rijden terug naar Machen. Oh wat hebben we zin in een echte goede maaltijd. We worden verwelkomt door de assistente van het bureau dat alles hier heeft gecoordineerd. “You like Tibetan food?” We kunnen moeilijk ‘nee’ zeggen maar echt er is niets aan in het meest gunstige geval. Er groeit hier niets eetbaars, geen groente, geen fruit, niets. Yaks. Ja, yaks te over. Yak vlees (taai en droog), yak melk, yak kaas (niet durfen eten zo zuur als het rook) en als slagroom op de taart yakboter. Yakboter om in te bakken, yakboter samen met een soort brinta (Tsampa) en yakboter in je thee. En yak boter is precies dat, yyy-ak! Maar de Tibetanen hier smullen ervan en zijn er apentrots op. Dus, “Yes please!”
Ze heeft zelfs al voor ons besteld. Geen yak maar schaap. Gekookt schapenvlees! Met wat? Nou, met niks. Dat was het. Grijs gekookte hompen schapenvlees. Je kan het nog dippen in een zoute chillipoeder en/of wegkouwen met een rouwe ui of een teentje knoflook. Er liggen een paar vervaarlijke messen naast. Tibetaans gourmetten. Heb je tenminsten nog een beetje het idee dat je je eigen schaap geslagt hebt!
Terug in Xining is het the dudes gelukt om een ‘hart seat’ te reserveren in de trein naar Lasha. 24 uur, .. op een stoeltje. Nou, als ik niets te doen heb kan ik altijd nog wat schaap herkauwen.

Lieve Machiel,
Wat een avontuur, wat een liefde voor alles en iedereen die je tegenkomt, wat een schoonheid in je vertellingen ! Je verhalen ontroeren me, je tegeltjeswijsheden raken me, je humor maakt me blij …
Dank je wel voor je geweldige reisverslag en veel plezier in India !
liefs,
Mattie
By: Mattie on 14 september, 2007
at 9:12 pm