Ik had er het ergste van verwacht maar ik heb genoten van Beijing.
Ik slaap in een van de hutongs, oude wijken, van Beijing. Een wirwar van kleine steegjes met overal winkeltjes, stalletjes en donkere gangetjes. Het is warm, alles staat open. Vrouwen met haarnetjes en mannen in vette hemden in vergeelde kamertjes TV te kijken. Vanaf 17:00 dwarrelen de steegjes vol met zoete rook van spiesjes boven kolenvuurtjes. Hier is het grote en moderne heel ver weg. Mijn hostel is een gerenoveerd courtyard house, prachtig en vorig jaar verkozen tot beste hostel van Azie. Wat mij betreft terecht. Een oase van rust, vriendelijke jongen jongens en meiden die nog op hun kop gaan staan om je te helpen. Het ontbijt in het hostel is goed bedoeld met koffie die aan koffie doet denken, brood dat aan brood doet denken en oké, vers fruit. Maar ik zit buiten om de hoek. Laat me een ochtendsnakkie uit het ene stalletje aanreiken en een gezoete karnemelk in terracotta beker van de ander en kijk naar het verkeer, de mensen en de stad…
Zo als op weg naar mijn hostel al bleek, als ik zoek, kan ik niet vinden maar vind ik van alles als ik niet zoek. En dus houd ik maar gewoon de Westenwind aan als ik er op mijn huurfiets op uit trek. Zo vind ik een prachtige stadspark. Een oude keizerlijke tuin met meren vol witte en roze lotussen, kromme bruggetjes, alles rond een klein eiland in het midden. Op het eilandje kleine wandelpadjes de heuvel op waar een witte stuppa uitkijkt over de hele stad. Mijn boek vertelt me later dat het een van de grootste attracties in Beijing is maar.. ok. Ik lunch aan een meer vol waterfietsen en eet m’n stokjes er zowat bij op. Een diep rode saus, zoet van gecarameliseerde bruine suiker, zout van een krachtige runderbouillon (jus de veau) en een zwarte peper die naar mint smaakt en mijn hele tong doet tintellen. De saus stroopt om malse blokjes kipfilet, pinda’s in hun vliesje en frisse stukjes komkommer. Maar ik een extra servetje? Het water stroomt mijn mond uit!! De ‘vegetable salad’ is bijzonder omdat het hoopje geblokte groene paprika, rauwe rode kool en andijvie bladeren (lekker hoor) wordt geleverd met ordinaire roze saus (ketchup en mayo). Maar liefst een soepkom vol!
Tja en wat er in gaat, moet er ook weer uit. En er is niets anders dan een openbaar Chinees hurktoilet in de buurt. Een porseleinen gat in de grond. Buiten is het 35°C. Binnen hangen bruine wolken en heersen zure rukwinden. Waar een Frans toilet nog aangeeft waar je je voeten moet neerzetten sta ik hier eerst wat te hoeftrappellen voor ik naar beneden afzwaai. Zit ik nu goed? Al zeg ik het zelf, met de plassert kan ik aardig mikken maar aan wedstrijdjes letterpoepen heb ik mijn altijd weten te ontrekken. Als een eend op zijn nest wiegel ik nog wat heen en weer. Op de gok dan maar. Concentratie…
Mijn god!, wat is dat?! In mijn moment van stilte voor de storm barst aan weerszijden een heuse kakofonie los. En waar een straaltje water kan zijn voor een verlegen plas, doen minstens drie knetterende Chinezen mijn reet acuut veranderen in een blok beton.
Als in een loopgraaf diep gehurkt probeert mijn hoofd een gewoon gezicht te trekken maar ik zie mijzelf hier zitten. Ik ga de McDonalds niet ga halen. Het zit vast maar wil er toch uit. De vrouwelijke trekjes van poep schiet het door mijn hoofd, daar wel. Enfin, aan het slot van de symfonie blaas ik het encore. Eindelijk. Goed. Omhoog. Om!-hoog! Mijn hersenen vonken mijn zenuwstelsel aan maar, .. niets. Alleen mijn kringspier knipoogt naar het afvoerputje. “Hou daar mee op!” Het hurken heeft de bloedtoevoer naar mijn benen afgeknepen. “Stop met dat geflirt!!” Ik begin hoog met mijn armen te zwaaien zonder om hulp te roepen. Langzaam sijpelt er weer leven in mijn spieren. Met wijd open gesperde ogen en rood gezicht struikel ik de zon weer in. Ik haal diep adem en “Freee! Free at last!!” Even ben ik het middelpunt van het park. Tijd om te gaan.
Het voordeel van drie uur lang met mijn rugzakken om zoeken naar mijn hostel zoeken is dat ik de buurt goed heb leren kennen. Zo was ik het ‘Beijing Massage Hospital’ tegen gekomen. Ik dacht het zal wel niet maar ga het toch proberen. “Hello! Can I get a massage?” Het gebouwen complex ziet er uit zoals ik mijn een prive kliniek voorstel, laag en groen. Binnen draagt iedereen een witte jas en er staat alleen moderne apparatuur. Na een kleine Babylonische oproer in de ontvangsthal werpt een zuster, die een paar woorden Engels spreekt, zich op als mijn gids. Bij de inschrijfbalie weten we mij met z’n allen in te schrijven. Daarna wordt ik een kamertje in geleid met een strenge vrouwelijke arts. Op haar rug probeer ik aan te geven waar de zure plekken zitten. Ze knikt en geeft een feilloze samenvatting van de klacht op mijn rug. Bij elke eerste aanraking precies raak. Dat geeft vertrouwen. Of ik röntgenfoto’s wil. Als die € 10,- blijken te kosten denk ik waarom ook niet. 25 Minuten later, ik herhaal, 25 minuten later, sta ik met de foto’s en een papier vol Chinese karakters weer aan haar tafel. Op het papier prijkt één letter de ik herken. De letter ‘C’. Met de foto’s op de lichtbak wijst ze naar mij, de ‘C’ op het papier en de foto’s. In het vooraanzicht van mijn wervelkolom zit inderdaad een lichte kromming tussen mijn schouderbladen. Ik geloof dat ze denkt dat ik het nog niet snapt want ze pakt de hoorn van de telefoon op haar bureau, wijst druk naar de hoorn en dan weer naar mij. Ja, ja, nu weten we het wel! “Massage!” zegt ze. Kijk, dat bedoel ik.
Achter mijn gids aan, een massage zaal in. Enter dokter Finkelstein. “This is your doctor”. Met één oog permanent dicht geknepen en anderen verschrikt opengesperd werpt hij mij vanachter zijn vergrootglazen een inspecterende blik toe. Dr. Wong blijkt een fantastisch vriendelijke jongen van circa 30. Ik zit vooroverhangend op zijn massage tafel. Hij voelt mijn wervelkolom af.
” Pain?”
“No.”
“Pain here?”
“No.”
“Here?
“No.”
Hij pakt het papier met de letter ‘C’ klapt zijn bril omhoog en houdt het tegen zijn rechter oogbol aan.
“Okay, your chronic has no pain. You got nervous muscle?”
“..? Actually I feel quite relaxed”
“No! Your muscles have very nervous. They very hard.”
“Ah.”
“You work computer?”
“Yes.”
“I think for a long time yes?
“Yes.”
“Okay, I will help you.” “Beijing people work very hard. Very hard to learning the English. Learning the English so we can welcome all the atlethes for all the world. Yes, in two hunderd and eight.”
“The Olympics?”
“Yes. Can you accept the power of my treatment?”
“Just. But it is great, thank you.”
“Oke no problem.”
Ik ben spontaan een Chinese kliniek in gelopen. Twee uur later zijn er foto’s gemaakt, is er een diagnose gesteld, heb ik een behandeling gehad, heb ik € 14 afgerekend en een afspraak voor de volgende keer. Niet minder dan een wonder naar Nederlandse maatstaven.
“Aah mister Michael” Ik ben terug. De tweede keer valt mij op dat bijna alle masseurs op de zaal een oogafwijking hebben of totaal blind zijn. De het massage ziekenhuis blijkt tevens een opleidingsinstituut voor visueel gehandicapten die anders niet veel kans op de arbeidsmarkt zouden hebben. Hoe lang ik in Beijing ben of anders in China? Want ik heb eigenlijk 10 behandelingen nodig. Hij kan me wel doorverwijzen. Op een papiertje schrijft hij het adres van het ziekenhuis op en de naam van een dokter waar hij samen zijn opleiding mee heeft gevolgd.
“Dr. Wong, thank you so much for you kind care.”
“No, no, no! It’s my responsibility. I wish you a very, very good body.” Hij is trots. De rechterkant van zijn gezicht grijnst breed.
De olympische spelen zijn dus pas volgend jaar maar het Olympisch park zou al bijna af zijn. Ik kan u melden, dat is niet het geval. Op mijn fietsje ploeter ik in de zon en door de smog (de maan hier waterig geel) naar de rand van de stad. Het Olympisch stadion, het vogelnestje, is inderdaad prachtig. Maar daarom heen, één grote bouwput. Ik fiets er wat langs want hoop ergens een ingang te vinden om dichterbij te kunnen komen. Door opzichters word mij elke opening de weg verspert en dus fiets ik steeds nog één keer door. Na verloop van tijd ben ik de middle of nowhere beland. Ik zie alleen hier en daar gestapelde barakken waar de bouwvakkers wonen voor de rest, afzettingen, zand en zand. De zon brand. Vrachtwagens blazen dikke wolken stof. Hoe ben ik hier nou weer beland?
Ik moet nu zo geel als het zand om mij heen zijn. Ik stap af om wat thee uit mijn thermosfles te drinken. Uit een stofwolk doemt een andere fietser op. Ik zwaai, hij zwaait. Hij rijdt me bijna voorbij maar bedenkt zich. Een gedrongen stralend mannetje. Waar we vandaan komen en wat we doen. Uit zijn tas steekt een bol op een stokje.
“What is that?”
“This my flute.”
Hij zet het aan zijn lippen, krijgt een zacht gezicht en fluit een fluwelen spel. En zo komt het dat ik op de plek die over precies een jaar het middelpunt van de wereld zal zijn, ik een concert kreeg dat mij nu al dat gevoel gaf.
China heeft vakantie. De treinen zijn een week van te voren uitverkocht en er zijn geen directe bussen over 1200 km naar Xining. Xining ligt aan de rand van het Tibetaanse plateau, mijn volgende bestemming. Vliegen kan wel. Ik moet even wennen aan het idee, maar waarom ook niet. Tibet here we come!

Hey Machiel,
Ik zie je boeken al staan…
Intense belevenissen die elkaar afwisselen met bizarre en grappige gebeurtenissen. En ik besef me weer meer dan eens dat het niet gaat om wat er gaande is…maar dat alles kleur krijgt door ‘the eye of the beholder’. Daar ligt ook de schoonheid van een tegelspreuk.
Fijn de kleur van je reis te mogen zien door jouw ogen.
Tot ziens…pas op jezelf…
Esther
By: Esther on 3 september, 2007
at 11:43 am